Gilbert Swimberghe, kunstschilder

Gilbert Swimberghe werd geboren in Sint-Andries op 14 mei 1927. Hij is de zoon van Georges die diamantslijper was en van Marcella Coens, mensen die niet bepaald kunstkenners waren. Hij volgde lager onderwijs in de jongensschool van Sint-Baafs, waar meester Pol Brulez directeur was. Zijn studies aan de Rijksmiddenschool in Brugge combineerde hij van 1940 tot 1946 met een opleiding tekenen en schilderen aan de Brugse academie, opleiding die hij tijdens zijn militaire dienst (1947-1948) voortzette in Sint-Joost-ten-Node.
Jules Fonteyne, toenmalig directeur van de Brugse academie, gaf hem toelating om in de zomermaanden een schoollokaal te gebruiken als atelier. In die periode kwam hij in contact met de Brugse kunstenaars Rik Slabbinck en Luc Peire, en leerde hij o.a. het Duitse expressionisme van Max Beckmann kennen. Tekenen en schilderen waren en zijn nog altijd zijn grote passie. De publiciteit die Gilbert Swimberghe verzorgde voor de Sarma-keten o.a. in Gent en in Brugge, het werk voor Dermul Agence in Oostende waren de dingen die hij moest doen om te overleven. In 1957 werd hij stichtend lid van Raaklijn , een onafhankelijk Brugs kunstforum dat eigentijds werk propageerde. Hij ontmoette er belangrijke figuren, o.m. Fernand Bonneure, Paul De Wispelaere, Jaak Fontier, Gaby Gyselen en Jan Vanderhoeven. Het volgende jaar kreeg hij onderscheidingen op de Talensprijs voor Schilderkunst en de Prijs Jonge Belgische Schilderkunst.
Hij woonde drientwintig jaar in de Sint-Baafsstraat te Sint-Andries. In 1949 trouwde hij met Christine Bogaert bij wie hij drie kinderen kreeg, Charlotte, Jan en Piet. Na een kort verblijf in Sint-Kruis, verhuisden zij omstreeks 1950 naar Brugge. In 1973 hertrouwde hij met Franoise Vandenabeele, een lerares Frans bij wie hij het meisje Sarah kreeg. Zij gingen wonen en wonen nog altijd op het Sint-Annaplein 4 in Brugge.
Debuut (1948-1957). Gilbert Swimberghe exposeerde voor de eerste keer in 1946 met expressionistisch werk op een groepstentoonstelling in de Brugse Hallen. In 1948 volgde in het Casino van Oostende zijn eerste individuele optreden, waarbij vooral de constructie en de monumentaliteit opvielen. Hij stond toen open voor het Vlaamse expressionisme van Constant Permeke en schilderde stillevens met alledaagse dingen: een pomp, een kan, fruit, tafels en stoelen, aanvankelijk hard en stroef en binnen zware contouren. In die periode veroverde hij de Tweede Prijs schilderkunst 1950 van de Provincie West-Vlaanderen.
Gilbert Swimberghe debuteerde met figuratieve landschappen en figuren, vaak uitgewerkt in smeuïge dikke materie. Al vlug gaat hij vereenvoudigen en dat bezorgt hem in 1955 de prijs in de provinciale wedstrijd beeldende kunst voor wat hij zelf zijn meesterwerk noemt, De blauwe tafel. (Luc Fossaert, 1997)
Overgangstijd (1958-1968). Aanvankelijk was dat een periode van zoeken naar de eigen vormentaal , het stilleven bleef wel nog even aan bod. Omtrent 1962 heeft Gilbert Swimberghe de volle maat van zijn kunnen bereikt., schrijft Jaak Fontier in 1989. In 1960 begon hij te experimenteren met Venetiaans glasmozaïek. Het materiaal lag hem minder en hij koos dan voor keien en natuursteen waarmee hij reliëfs opbouwde. Er werden maar een paar van zijn denkbeelden als echte en grootschalige integratiewerken uitvoerd. Toen ontstonden ook zijn eerste geschilderde witte reliëfs.
Het zijn zeer geraffineerde composities van vlakken en stroken die boven elkaar zijn aangebracht. Door de lichte verhevenheden ontstaan schaduwen die wisselen volgens de plaats die de kijker inneemt. Dat dit soort werk ook uitmuntend geschikt is voor toepassing in de architectuur blijkt duidelijk in de bibliotheek van de Rijksmiddenschool van Sint-Andries. Hier heeft de kunstenaar over de gehele breedte van een wand een zeer verfijnd reliëf boven de boekenkasten gemonteerd. (Jaak Fontier, 1989)
Heel mooi schilderwerk kwam nog tot stand in de jaren 1964 en 1965, krachtig omsloten vlakken en stroken. Het koloriet bleef sober, nu eens met een overwicht van blauwen, dan van groenen.
In 1967-1968 schilderde Gilbert Swimberghe een belangrijke reeks doeken, waarin het rood triomfeert in vele schakeringen. Door gebruik van het mes kreeg de kleur een rijke en volle toon. Hij hield zich ook intens bezig met het ontwerpen en uitvoeren van zeefdrukken. Dit resulteerde in 1968 in de uitgave van een map, bevattende tien met de hand gedrukte exemplaren. Ze zijn nagenoeg volledig met groenen of roden opgebouwd of met sterke contrasten van geel-rood of groen-rood. Zelfs in dat naar formaat kleinere werk, slaagde hij erin kwaliteiten als spanning en monumentaliteit intens tot uiting te brengen.
Ruimtelijke suggestie, de grote retrospectieve, het meesterschap (vanaf 1969). De kunstenaar ging nu de compositorische problemen, de relaties vlak-diep en de verdere coloristische mogelijkheden onderzoeken. Hij stond toen heel dicht bij het constructivisme. Vanaf 1970 scheppen de vormverbindingen en de kleurcombinaties een illusoire ruimte. Volgens het kleurgebruik kan gesproken worden van een roze periode (1970-1971), een gele (1972-1973), een geel-groene (1974-1975) waarin het werk tot een hoogtepunt gevoerd wordt, en een grijze (1976-1977). Hierna maakt hij grote potloodtekeningen op papier, en tekent hij nu ook op witgeschilderd doek. Deze tekeningen vormen naast de schilderijen en de reliëfs een derde belangrijk facet van zijn werk. (Jaak Fontier, 2001) 1977.
Gilbert Swimberghe is 50. Hij treedt het Groeningemuseum binnen met de retrospectieve tentoonstelling ingericht door de Stad Brugge. In vijf zalen hangen 93 werken, van zijn eerste Meisje tot zijn toen laatste Del segno. Zijn oeuvre wordt hier gepromoveerd en geconsacreeerd. schreef Fernand Bonneure, Hij heeft er tweendertig jaar voor gewerkt. Hij behoort nu tot de zowat tien voornaamste kunstenaars van ons land. Zijn kunst is zijn leven geworden.
Vanaf 1979 bouwde de kunstenaar zijn composities volledig op met grijzen en weerde hij elke dieptesuggestie. In 1987 kreeg hij de Prijs van de Vlaamse Gemeenschap, de bekroning van zijn eigenzinnige kunstenaarsloopbaan. Kort hierna evolueerde hij naar een fundamentele schilderkunst, werken op papier, experimenten met drukinkten. Een drietal jaren later kwam hij van diepgrijs naar blauw, en kreeg zijn werk een metafysische dimensie.
In 1990 koos hij voor blauw in alle mogelijke tonen. Wiggen en driehoeken tekenen zich af door verschillen in schakering, impuls en beweging. Tachtig werken in de Garemijnzaal te Brugge, vijftig in het Cultureel Centrum te Hasselt stellen de kijker in staat de boeiende ontwikkeling van vijftig jaar hartstochtelijk schilderen te ontdekken. (folder Retrospectieve Gilbert Swimberghe, Brugge en Hasselt, 1997).
Zijn fundamentele schilderkunst blijft tot op vandaag doorzetten doorheen de exploratie van de grijze en de blauwe monochromie. Al die geleerde betogen van specialisten vatte hij in 1993 kort en bondig zo samen : Als kunstenaar kende ik eigenlijk twee levens. Tot mijn dertigste schilderde ik expressionistisch. Ik was bevriend met Rik Slabbinck en Henri-Victor Wolvens, en stond aanvankelijk wel onder hun invloed. Hierna zwalpte ik gedurende zowat vijf jaar tussen abstractie en figuratie. Maar uiteindelijk begon ik met steeds meer overtuiging ruimtelijke vormen te exploreren en experimenteerde ik zelfs met reli?fs in karton en hout. Nu ben ik gekomen bij zeer ruimtelijk en lichtgevoelig werk, met vormen die lijken op te doemen uit een vage nachtelijke duisternis. (PRO, Het Nieuwblad 1993)
De inzet en de werkkracht van Gilbert Swimberghe mogen gigantisch genoemd worden. Het aantal van zijn tentoonstellingen tussen 1946 en 1997 bijvoorbeeld is indrukwekkend. Wij kwamen uit op een totaal van 398 : * 80 individuele tentoonstellingen (66 in Vlaanderen en 1 in Wallonië (Verviers), met uitschieters Brugge (17) en Brussel (10), in mindere mate Oostende (6), Gent (5), Antwerpen (5) en Kortrijk (3). De rest in kleinere locaties. 13 in het buitenland, met koploper Nederland (7) gevolgd door Duitsland (2) en Ierland (2).
318 groepstentoonstellingen (224 in Vlaanderen, met uitschieters Brugge (33), Brussel (24), Gent (19) en Antwerpen (19), in de middelmoot Knokke (11), Oostende (9) Oosteeklo (6), Roeselare (6), Kortrijk (4), Blankenberge (4), Ieper (3), Hasselt (3). De rest in kleinere locaties. 9 in Wallonië, met Lasne-Chapelle-Saint-Lambert (4), Doornik (2), Luik (1), Wpion (1) en Bergen (1). 85 in het buitenland. Koploper is Duitsland (35) gevolgd door Nederland (26) Frankrijk (19), Polen (2) en Spanje (1).
Deze gegevens vonden wij bij Jaak Fontier in het zevende nummer van de reeks kunstmonografien Beeld/Spraak, Willemsfonds 1989, en in Monografien over moderne kunst. Gilbert Swimberghe, een uitgave van het Gemeentekrediet, bij Snoeck-Ducaju & Zoon 1997. (Robert De Laere)
|