Pionier van de opvoedkunde ligt in Sint-Andries begravenEdward Peeters, alias Paul Kiroul

Bescheiden als hij was noemde hij zichzelf “een simpele onderwijzer”, maar in ieder standaardwerk over opvoedkunde wordt hij uitvoerig geprezen en geciteerd als “pionier van de pedagogiek in Vlaanderen”. Zijn naam is Edward Peeters, zijn pseudoniem Paul Kiroul, en hij bracht de laatste tien jaar van zijn druk leven door in Sint-Andries, waar hij ook begraven ligt. Edward Peeters werd op 9 mei 1873 geboren in Berchem-Antwerpen als zoon van een leraar die, zoals dat al eens meer het geval is, er van droomde dat ook zijn zoon voor het onderwijs zou kiezen. Dat gebeurde ook, al verliep de lerarenopleiding van zoon Edward niet rimpelloos. Aan de Normaalschool in Antwerpen ontpopte Edward Peeters zich immers als een buitenbeentje dat toen al op een eigen onderwijsvisie doordacht en daarmee meer dan eens in conflict kwam met zijn docenten. Op een gegeven ogenblik werd het Edward Peeters zelf zo bar dat hij weigerde zijn examens af te leggen en gewoon zijn dienstplicht ging vervullen. Ook binnen het militaire wereldje liet de Vlaamsgezinde Peeters zich echter al snel kennen als een rebel die niet aarzelde om taalwantoestanden in het leger aan te kaarten, iets waarmee zijn oversten niet direct opgezet waren. Zijn bijnaam van “révolutionnaire” kreeg hij dan ook niet toevallig. Finaal behaalde Edward Peeters dan toch zijn diploma van onderwijzer waarna hij al snel eigen onderwijsmethodes ontwikkelde met als een der basisregels dat men “recht moet doen aan alle mogelijkheden en talenten van de leerling”.
Intussen was Edward Peeters op 8 november 1898 in Oostende in het huwelijk getreden met Maria Verstrynge die ook al uit een onderwijsnest kwam. Haar grootmoeder was immers niemand minder dan mevrouw Joanna Courtmans-Berchmans (1811-1890), samen met de gezusters Loveling een van de zeldzame vrouwelijke auteurs in het 19
de-eeuwse Vlaanderen. Mevrouw Courtmans, die de dochter was van de burgemeester van Oudergem, zou niet alleen enkele sociaal geëngageerde romans en toneelstukken schrijven, maar in Maldegem ook een privé-school stichten en leiden. De moeder van Maria Verstrynge, Mathilde Courtmans, zou eveneens in het onderwijs terecht komen, o.m. als lerares aan de meisjesschool in Adegem.
Het echtpaar Peeters vestigde zich in Oostende (Peter Benoitstraat 38) waar Edward, intussen hardnekkiger dan ooit met opvoedkunde bezig, het “Bureau Internationale de Documentation Educative” oprichtte, een soort opvoedkundige bibliotheek die al snel met tal van binnen- en ook buitenlandse filialen werd uitgebreid. Peeters, die trouwens verschillende talen beheerste,volgde immers ook de evoluties inzake pedagogiek op internationaal vlak.
Bij dit alles liet hij zich inspireren door o.m. Jan Ligthart (1859-1916), een Amsterdamse onderwijzer en een van de zeldzame Nederlandse pedagogen die ook in het buitenland faam verwierven. Peeters noemde Ligthart onomwonden “de Nederlandse Pestalozzi”, een niet geringe eerbetuiging want deze Zwitserse autoriteit stond toen aangeschreven als een van ‘s werelds grootste pedagogen.
Ligthart schreef immers voor, en Peeters volgde hem daarin, dat het onderwijs nauw moest aansluiten op het dagelijkse leven en dat de betrokkenheid van de leerlingen zo hoog mogelijk moest worden opgevoerd in plaats van hen passief de lessen te laten ondergaan, een voor die tijd opmerkelijke gedachte. Ofschoon overtuigd Vlaming en vroom christen zijnde, pleitte Peeters ook voor pluralistisch onderwijs dat de jeugd respect moest bijbrengen voor andersdenkenden.
Als knaapje droomde Edward Peeters ervan schrijver te worden, en schrijven zou hij inderdaad doen, als een bezetene zelf. Als stichter en hoofdredacteur van het “Schoolblad voor Vlaanderen” verwoordde hij zijn visies in talloze artikelen, waardoor het tijdschrift toonaangevend werd voor de verdieping van het pedagogisch leven in Vlaanderen. Daarnaast publiceerde hij ook nog tal van voor leerkrachten bestemde brochures zoals “De opvoeding van de kinderen in het licht van de tegenwoordige tijd”.
Een scharniermoment in het leven van Edward Peeters was de Eerste Wereldoorlog. In 1914 vluchtte hij voor de bezetter naar het neutrale Nederland om in Oostburg een “Belgische School” te stichten, waar hij, tot zijn grote voldoening, zijn eigen onderwijsmethodes aan de praktijk kon toetsen.
Na de oorlog keerde Peeters terug naar Oostende waar een voor hem minder gelukkige periode aanbrak. Niet alleen was zijn woning tijdens de oorlog zwaar verwoest, ook zijn hele, indrukwekkende documentatie was verloren gegaan. Tot overmaat van ramp kreeg hij tevens met gezondheidsproblemen af te rekenen. Op advies van zijn arts ruilde hij het stadsleven van Oostende voor een rustiger bestaan in het toen nog vrij landelijke Sint-Andries. Het was op 4 februari 1927 – en dus niét in 1922 zoals in vrijwel alle publicaties over Edward Peeters wordt aangegeven - dat hij zich kwam vestigen in de Korte Molenstraat, nummer 9, waar hij zijn woning de veelzeggende naam “Buitenrust” meegaf. In de volksmond werd dat echter al snel “’t Sprookjeshof”. Dat kwam niet alleen omdat Peeters van zijn huis met aanpalende tuin een erg idyllisch plekje had gemaakt waarin een zelfs een heuse grot en een vijvertje niet ontbraken, maar ook en vooral omdat hij zich intussen had ontpopt tot een bijzonder productieve auteur van jeugdboeken. Die boeken, die hij schreef onder het pseudoniem Paul Kiroul, vonden hun weg naar diverse uitgeverijen. Zo leverde hij voor de “Sprookjesbibliotheek” van de Brugse uitgeverij Excelsior tal van afleveringen met welluidende titels zoals “Van dikkopje die zijn ziel verkocht aan mijnheer pastoor”, “Bloesems van het Sprookjeshof”, “Van zeven reuzen en een dwerg”, “Prinses Zonnestraal en Tierlafijntje” enz.
Ook de uitgeverij van het Davidsfonds nam Paul Kiroul in zijn fonds op met werken als “Pito Knotsebolle”, “Mijnheer Kras van Ravensteen” en “Krelis Welgemoed” (dat fraai werd geïllustreerd door Frans Van Immerseel).
Zelfs de “Vlaamse Filmkens”, die een ware pioniersrol hebben gespeeld in de leesbevordering en een schitterend voorbeeld waren van samenwerking tussen de school en het boekbedrijf, brachten werk van Paul Kiroul. In deze populaire boekenreeks - met John Flanders, alias Jean Ray, als uithangbord - verschenen van zijn hand o.m. “Benno de Kluizenaar”, “Heintje Bierbuyck op avontuur” en “De gelaarsde kater”. Zoals hij al eens meer deed vertrok Kiroul van een bestaand sprookje om er dan zelf nieuwe elementen aan toe te voegen en er zeker over te waken dat het allemaal “stichtend” bleef. Die hoge productiviteit mag verbazing wekken omdat Paul Kiroul hoe langer hoe meer met gezondheidsproblemen had te kampen.
Op 8 oktober 1937 zou Edward Peeters, alias Paul Kiroul, overlijden en, zoals hij had gevraagd, in alle intimiteit worden begraven op het kerkhof van Sint-Andries. Luttele maanden later (14 maart 1938) ruilde zijn echtgenote Sint-Andries opnieuw voor de Peter Benoitstraat in Oostende, waar ze op 9 januari 1957 op 84-jarige leeftijd overleed.
Sint-Andries vergat echter Paul Kiroul niet en onder impuls van de “Vlaamse Opvoedkundige Vereniging”, waarvan Edward Peeters de stichter was, werd beslist het graf van Paul Kiroul met een passend sculptuur op te fraaien. Om het kunstwerk te bekostigen werd aan ieder lid een bijdrage van 5 frank gevraagd. In 1939 werd het beeldhouwwerk onthuld tijdens een plechtigheid waarvoor in Sint-Andries zelfs een heus huldecomité werd in het leven geroepen. Dat comité bestond o.m. uit voorzitter Raymond Lambert uit Oostende en uit de Sint-Andriesnaren Remi Ampe en Edgard Geirnaert, beiden hoofdonderwijzer, Alfons Mariën, kantonaal inspecteur, en de heemkundige Maurits Vancoppenolle.
Toen enkele jaren geleden de grafvergunning verstreek, aarzelde de Heemkundige Kring Vancoppenolle niet om deze met 50 jaar te verlengen. Deze kring vond terecht dat ze dit aan Edward Peeters-Paul Kiroul, baanbreker en grondlegger van de opvoedkunde in Vlaanderen en ongemeen veelzijdige (jeugd)auteur, verschuldigd was. (HD)
Bibliografie